Er is nog menselijkheid in de rechtspraak

In geschil is of de beschikkingen aansprakelijkstelling voor de aansprakelijkheidsschulden van A BV en B BV op naam van belanghebbende terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het staat vast dat er geen melding is gedaan dat zij niet tot betaling van de aansprakelijkheidsschuld in staat waren. Dit betekent dat op grond van art. 36b lid 2 aanhef en onderdeel c jo. art. 36 lid 4 Invorderingswet 1990 het wettelijk vermoeden bestaat dat de niet-betaling van de aansprakelijkheidsschuld is te wijten aan de bestuurder als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder – belanghebbende – mag tegenbewijs leveren door allereerst aannemelijk te maken dat het niet aan hem was te wijten dat de beide vennootschappen de melding niet hebben gedaan. Ten tweede moet belanghebbende het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur weerleggen.

In 2009 heeft de echtgenote van belanghebbende een ernstig herseninfarct gekregen en bij belanghebbende zelf wordt MS geconstateerd. Eind 2009 stort belanghebbende volledig in en is sindsdien arbeidsongeschikt en zit financieel in de problemen. De rechtbank acht aannemelijk dat deze gebeurtenissen, die in het jaar 2009 hebben plaatsgevonden, voor belanghebbende en echtgenote grote gevolgen hebben gehad en hun algehele functioneren zodanig hebben beïnvloed dat zij zelf niet in staat waren tijdig te voldoen aan de meldingsplicht. Het kan belanghebbende en echtgenote volgens de rechtbank evenmin worden aangerekend dat zij geen maatregelen hebben getroffen die ertoe zouden leiden dat wel aan de meldingsplicht kon worden voldaan, zoals het aanstellen van een zaakwaarnemer. Gelet hierop acht de rechtbank belanghebbende en de echtgenote erin geslaagd aannemelijk te maken dat het niet aan hen is te wijten dat de vennootschappen niet aan hun meldingsplicht betreffende de aan hen opgelegde beschikkingen tot aansprakelijkstelling hebben voldaan, zodat belanghebbende wordt toegelaten tot het weerleggen van het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Uit eerdere jurisprudentie blijkt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur indien de bestuurder wist, of redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belasting- en premieschulden van de vennootschap onbetaald zouden blijven en dat hem persoonlijk een ernstig verwijt treft vanwege het opzettelijk niet voldoen van de verschuldigde omzetbelasting. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist en ook niet redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze, in de zeven jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop de BV’s ingebreke zijn, tot gevolg zou hebben dat btw-schulden van de fiscale eenheid onbetaald zouden blijven. Hiertoe wordt overwogen dat belanghebbende en zijn echtgenote – ondanks enige ook administratieve fouten – wel te goeder trouw zijn geweest. De beschikkingen worden vernietigd.